In Duitsland en Nederland is de belastingdruk relatief hoog.Afhankelijk van het inkomen en persoonlijke omstandigheden gaat vaak 40 tot 50 procent van het bruto salaris naar inkomstenbelasting, sociale premies voor pensioen, ziektekostenverzekering en werkloosheidsverzekering, evenals de btw van 19 tot 21 procent op bijna alles. Voor veel huishoudens blijft er aan het einde van de maand maar weinig over, zelfs als beide partners fulltime werken. Tegelijkertijd stijgen de kosten voor elektriciteit, huur, voedsel en benzine, terwijl de lonen slechts langzaam groeien.
In Nederland staat bovendien een fiscale ingreep voor de middenklasse op de planning: in 2028 zal de belasting op privébeleggingen (Box 3) worden hervormd. Spaarrekeningen, daggeld, fondsen, aandelen, cryptocurrencies en tweede woningen worden dan anders belast. Tot nu toe werd bij de belasting een verondersteld rendement gebruikt, een methode die het hoogste gerechtshof meerdere malen als problematisch heeft aangemerkt. Voortaan zullen alleen daadwerkelijk behaalde opbrengsten, zoals rente, dividenden en koerswinsten, worden belast. Ook niet-gerealiseerde winsten, zogenaamde papierwinsten, vallen onder deze regeling. De eerste 1.800 euro winst per jaar blijft belastingvrij, alles daarboven wordt belast tegen 36 procent. Bedrijven zijn van deze regeling uitgezonderd.
Een voorbeeld
een spaarder met 20.000 euro op een spaarrekening betaalt geen belasting zolang alle winst onder de 1.800 euro blijft. Bij een totale winst van 2.500 euro is 700 euro belastbaar, wat 252 euro belasting betekent, zelfs als het geld niet wordt uitgegeven. Bij hogere reserves, bijvoorbeeld 100.000 euro, blijft eveneens een vrijstelling van 1.800 euro, en over de resterende 3.200 euro wordt 36 % geheven, wat 1.152 euro belasting betekent. Over een periode van tien jaar loopt de belasting op tot ongeveer 11.500 euro, waardoor er aanzienlijk minder van de oorspronkelijke opbrengsten overblijft. Wie dus op lange termijn spaart voor pensioen of een huis, moet rekening houden met een merkbare aftrek door de belasting op de opbrengsten.
Door de decennia heen is te zien dat de Europese economie steeds meer verschuift van de productiesector naar de financiële en vermogenssector. Productie en waardecreatie verplaatsen zich naar andere landen, terwijl financiële dienstverlening groeit. In Duitsland zijn sinds 2018 meerdere fabrieken gesloten, kapitaal stroomt weg en het aandeel van de industriële productie in het bruto binnenlands product neemt af. Landen aan de rand van de EU worden hier soms sterker door getroffen. Europa ontwikkelt zich daarmee steeds meer tot een economie waarin inkomsten uit financiële transacties, vermogensbeheer, huren en rente aan belang winnen, terwijl de industriële productie deels afneemt.
Vergelijkbare ontwikkelingen deden zich over decennia voor in de VS: banenverlies in de industrie, krimpende kernsectoren en handelsonevenwichtigheden leidden tot economische problemen. Politieke maatregelen zoals invoerrechten of stimulansen voor binnenlandse productie moeten de afhankelijkheid van buitenlandse productie verminderen, omdat zonder productie ook belastinginkomsten wegvallen die huishoudens niet volledig kunnen compenseren. Zo’n poging loopt momenteel in Nederland.
Politiek zijn de meningen verdeeld
In Duitsland is de situatie vergelijkbaar. Hoge belastingen en heffingen, het wegtrekken van bedrijven en vakmensen, en uitgebreide overheidscontrole kenmerken het dagelijks leven. Duitsland staat bekend om zijn sociaalstaatelijke belastingsturing en regelgeving. Steeds meer meldpunten, voorschriften en controles treffen vooral huishoudens met lagere inkomens, terwijl vermogens deels naar het buitenland worden verplaatst. Sommige waarnemers zien in de combinatie van hoge nationale belastingen, regelgeving en economische veranderingen een ontwikkeling die de handelingsvrijheid van lidstaten beperkt en leidt tot een grotere rol van EU-instellingen – anderen zien dit als een natuurlijke consequentie van integratie en sociaal beleid.