Wie vanaf de Duitse grens naar het westen rijdt, merkt de verandering meteen. De glooiende heuvels en bossen maken plaats voor een weidse, vlakke landscape die door de horizon lijkt te worden opgeslokt. Hier begint het Oldambt, een streek in het noordoosten van Nederland die eruitziet alsof God hem bij de schepping is vergeten – omdat hij alleen uit leegte bestaat, en er toen toch nog iets heel bijzonders aan heeft toegevoegd.

Dat bijzondere zijn de herenboerderijen. Je kunt er niet omheen. Gigantische bakstenen boerderijen die minder op boerenbedrijven en meer op kleine kastelen lijken. Met hun zuilen, hun sierlijke gevels en de diepe grachten eromheen zien ze eruit alsof ze uit een ander land hiernaartoe zijn gespoeld. Ze zijn de stille getuigen van een tijd waarin hier meer groeide dan alleen tarwe – ook een geschiedenis vol tegenstellingen.

Om te begrijpen waarom er midden in het niets zulke paleizen staan, moeten we terug naar de negentiende eeuw

De grond in het Oldambt was als goud. Zwaar, voedselrijk und perfect voor tarwe. Toen de steden in Europa groeiden en iedereen brood wilde, explodeerde de prijs van het graan uit deze regio. Enkele boerenfamilies die hier al generaties lang woonden, hadden het geluk (of het zakelijk inzicht) om grote stukken land te bezitten. Binnen een paar decennia werden zij onvoorstelbaar rijk.Deze ‘herenboeren’, zoals ze werden genoemd, waren geen gewone landbouwers meer. Het waren ondernemers die de wereldmarkt in het vizier hadden. Met de rijkdom veranderde ook hun levensstijl. Ze ontmoetten elkaar in exclusieve clubs in Winschoten, dronken Franse wijn und stuurden hun kinderen naar de beste scholen. De prachtige boerderijen die zij lieten bouwen waren meer dan alleen huizen – ze waren een statement. Een teken van succes en trots.

Doch achter de gevels van deze paleizen stond een andere realiteit. Voor de oogst hadden de herenboeren veel handen nodig. Honderden arbeiders die in de kleine dorpjes rondom Winschoten woonden. Hun huizen waren klein en vochtig, vaak slechts één kamer voor een heel gezin. Wanneer de winter inviel en het werk op de velden stilkwam te liggen, was er geen loon. De honger was een vaste gast in deze hutten, de kindersterfte was schrikbarend hoog.

Het was alsof het twee verschillende werelden waren, die door slechts een paar honderd meter van elkaar waren gescheiden. Aan de ene kant de pronkboerderijen met verwarmde kamers en pianomuziek, aan de andere kant de kleine krotjes aan de kanalen, waar iedereen elke winter vocht om te overleven. De relatie tussen boeren en arbeiders was zakelijk, vaak kil en bepaald door de strenge regels van de markt. Het ontbrak niet zelden aan menselijkheid, waaruit een diepe woede onder de arbeiders ontstond.

Uit deze ongelijkheid groeide het verzet

Tegen het einde van de negentiende eeuw begonnen de arbeiders zich te organiseren. Er kwamen stakingen die maandenlang duurden. Soms brandden er ‘s nachts schuren af en moest het leger komen om voor orde te zorgen. Toen in 1917 de Russische Revolutie uitbrak, hoorden de mensen in het Oldambt dit nieuws als een belofte. Voor velen was het communisme geen verre theorie, maar de hoop op een rechtvaardiger leven.In de decennia na de Eerste Wereldoorlog werd het Oldambt het rode bolwerk van West-Europa. Hier bestond een eigen arbeiderscultuur, die bijna wegliep tegen een religie. Kinderen werden vernoemd naar Lenin of Stalin, aan de muren hingen portretten van Marx en bij verkiezingen haalde de Communistische Partij in sommige plaatsen de meerderheid.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland herstelde van de Duitse bezetting, scheen het uur van de communisten geslagen. In plaatsen als Finsterwolde grepen zij de macht in de gemeenteraad. Ze verhoogden de lonen, breidden sociale voorzieningen uit en financierden dat alles door hoge belastingen op te leggen aan de bezittende klasse. Het was de poging om de wereld met één slag rechtvaardiger te maken.Doch deze poging mislukte. Het ambtelijk apparaat raakte enorm opgeblazen en de economie leed eronder. Het communistische bestuursmodel stootte al snel op zijn financiële grenzen en begrotingstekorten. De regering in Den Haag keek met grote zorgen naar het ‘rode nest’ aan de grens. In 1951 was het voorbij: Finsterwolde werd onder staatstoezicht gesteld, de communistische burgemeester werd uit zijn ambt gezet.

Aan het einde van deze tijd van de ellende van de boeren [en arbeiders] kwam echter niet door de politiek, maar werd door de techniek ingezet. In de jaren vijftig rolden de eerste maaidorsers over de velden van het Oldambt. Waar vroeger honderden mensen nodig waren voor de oogst, klaarden nu nog maar enkele machines de klus. De klasse van landarbeiders loste op. Ze trokken weg naar de steden of vonden een nieuw bestaan in de opkomende welvaart van het naoorlogse Nederland.

Vandaag de dag is het Oldambt een andere regio. De klassenstrijd is gestreden, de rode vlaggen zijn verdwenen. En de bakstenen paleizen? Die staan nog altijd in de wind. Sommige zijn verloren gegaan, andere werden met veel moeite omgebouwd tot hotels, culturele ruimtes of woningen. Wie er vandaag langsrijdt, ziet geen koetsen meer en geen arbeiders die op de velden zwoegen. Doch als je goed luistert, wanneer de wind door de oude bomen van de gouds-en-gutsanlagen [borgen] fluit, kun je ze nog voelen: de echo’s van een tijd waarin hier, aan de rand van de wereld, een kleine versie van de grote geschiedenis plaatsvond.

Foto: Het Volksgebouw in Finsterwolde: politiek centrum van de communistische arbeidersbeweging in het Oldambt.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *