De discussie over het verbod op nieuwe auto’s met een verbrandingsmotor is momenteel zeer aanwezig in Europa. Oorspronkelijk had de Europese Unie besloten dat vanaf 2035 alleen nog emissievrije nieuwe auto’s verkocht mogen worden. Dit betekent dat klassieke auto’s met benzine- of dieselmotoren praktisch niet meer nieuw toegelaten zouden kunnen worden. Het doel van dit verbod was om de CO₂-uitstoot in de transportsector aanzienlijk te verminderen en bij te dragen aan de bescherming van het klimaat. Bestaande voertuigen zouden niet door het verbod worden beïnvloed; alleen nieuwe auto’s zouden emissievrij moeten zijn.

De afgelopen weken berichten de media dat de Europese Commissie nu overweegt het oorspronkelijke doel te versoepelen. In plaats van een volledig verbod zou er een reductiedoel van 90 procent CO₂ per nieuwe auto kunnen gelden. Dit betekent dat nieuwe auto’s gemiddeld nog maar tien procent van de CO₂ mogen uitstoten die een vergelijkbare verbrandingsmotor vandaag produceert. In de praktijk kunnen de meeste conventionele verbrandingsmotoren deze grens niet halen. Alleen bijzonder efficiënte voertuigen, bijvoorbeeld met hybride technologie of speciale CO₂-compensatiemaatregelen, zouden nog verkocht kunnen worden.

De realiteit laat echter snel zien dat zulke bijzonder efficiënte verbrandingsmotoren extreem duur zijn. Voor een voertuig dat de 90%-grens haalt, moet vaak ongeveer 70.000 euro of meer worden betaald. Voor de meeste kopers is dat simpelweg onbetaalbaar. Dit betekent dat de 90%-regel formeel de verbrandingsmotor theoretisch “redt”, maar praktisch alleen relevant is voor welgestelde klanten. Voor het grootste deel van de bevolking verandert er daarom niets: wie een nieuwe auto wil kopen, is nog steeds aangewezen op een emissiearm of emissievrij voertuig.

Waarom bespreken politici deze versoepeling dan toch? Een belangrijke reden is de bezorgdheid over banen in de auto-industrie. Veel mensen vrezen dat een strikt verbod op verbrandingsmotoren banen in de productie van motoren, onderdelen en aanverwante sectoren in gevaar kan brengen. Door de 90%-regel krijgt de industrie meer speelruimte om nog bijzonder efficiënte verbrandingsmotoren te ontwikkelen of op de markt te brengen. Ook al heeft dit nauwelijks effect op het milieu, het moet politieke en economische spanningen verzachten.

Feitelijk gaat het dus om een politieke compromismaatregel, die vooral dient om angst voor baanverlies te adresseren zonder de klimaatdoelen daadwerkelijk te versoepelen. Krantenkoppen die beweren dat het verbod op verbrandingsmotoren “is gevallen” of “afgeschaft” zijn, vereenvoudigen de situatie sterk en zijn misleidend. Het uitfaseren van klassieke verbrandingsmotoren blijft op de agenda van de EU staan, alleen in een licht aangepaste vorm. Zelfs als de 90%-regel officieel wordt aangenomen, verandert er in het dagelijks leven en voor de CO₂-balans praktisch niets. De meeste nieuwe auto’s zullen nog steeds emissievrij moeten zijn, en de transportsector zal blijven bijdragen aan de reductie van CO₂-uitstoot.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *